geschiedenis

De eerste sporen van menselijke aanwezigheid in Puurs dateren uit het laat-neolithicum (2600 – 1800 v.C.). Het gaat om enkele silexvoorwerpen die ondermeer gevonden werden bij de ‘Steenbossen’ in Breendonk. Tijdens de metaaltijden bleef deze streek bewoond, wat een permanente grondontginning met zich meebracht. In de eerste eeuw na C. vestigden de Romeinen zich hier en lieten een schat aan munten en scherven na voor het nageslacht. Ook de Merovingische periode liet sporen na: archeologisch materiaal duidt op bewoning, onder andere in het huidige Hof van Coolhem. Met de Karolingers belanden we bij de verdeling van Klein-Brabant over enkele grote abdijen. Het feit dat Puurs geschonken werd aan de abdij van Cornelimunster bij Aken, getuigt van de belangrijkheid van het gebied.
Ondertussen had ook de kerstening plaatsgevonden en waren enkele kleine dorpskerkjes opgericht, zoals de Sint-Pieterskerk van Puurs. Tot 1276 behoorde de geestelijke heerlijkheid toe aan de veraf gelegen abdij van Cornelimunster.

In 1292 verkreeg Puurs zijn keure, waarin de wederzijdse rechten en plichten schriftelijk werden vastgelegd.
In 1443 mocht zich een handelsrechtbank vestigen in de gemeente.

De religieuzen van Sint-Bernards namen in 1582, na het afbranden van hun abdij, de benen naar het kasteel Coolhem in Kalfort. Zij vormden het om tot een klooster en verbleven er tot 1616. Na de Franse Revolutie werd Puurs bij het departement van de twee Nethen gevoegd. Het werd verheven tot hoofdplaats van een kanton dat naast Puurs ook nog Liezele, Lippelo, Hingene, Mariekerke, Sint-Amands, Weert en Bornem omvatte. Later kwam er zelfs een vredegerecht.
De dekenij Puurs – Wolvertem werd opgericht en in 1873 werd Puurs zelf een dekenij. De parochie Puurs strekte zich uit over de gehuchten Coolhem, Kalfort, Breendonk, Oppuurs en Eikevliet, over een gedeelte van de gehuchten Rijweg, Sauvegarde, over een deel van de gemeenten Willebroek, Tisselt en over Klein-Mechelen in Hingene. Breendonk werd in 1779 afgescheiden, Oppuurs in 1803.